Presentatie Op de hoogte, speech Christophe Van Gerrewey

Op vrijdag 17 maart werd Op de hoogte, het romandebuut van Christophe Van Gerrewey, voorgesteld in de Gentse boekhandel Limerick.

We zouden u de geweldige speeches van die avond niet willen onthouden. Christophe Van Gerrewey vond het een goed moment om zijn verwijten uit te spreken.

Limerick, Gent, 17 maart 2012

Dames en heren, beste vrienden,

Ik zou tot slot een paar mensen willen bedanken die belangrijk zijn geweest voor de totstandkoming van Op de hoogte. Om te beginnen hebben L. en D. zeer inspirerende elementen aangedragen; daarna hebben B., M. en N. zich als voortreffelijke, want respectievelijk sardonische, intense en nauwkeurige eerste lezers gedragen; vervolgens heeft H. enthousiast besloten om het verhaal als roman uit te geven, in die beslissing naar ik vermoed geholpen door E., die daarna het boek beter heeft helpen maken zonder het van de – naar ik hoop – noodzakelijke ziektes te genezen; daaropvolgend heeft K. alle fouten uit het boek verwijderd, net als alle te lange en dus te veel naar vlooien verwijzende gedachtestreepjes; en A. heeft, en ze is daar nog steeds mee bezig, het boek een virtueel leven gegund, en zij stond ook achter de camera toen K. samen met M. – die vandaag helaas is verhinderd – indrukwekkende dialogen heeft opgevoerd.

Ondanks al deze dank, kan ik mij niet van de indruk ontdoen dat er ook verwijten moeten worden gemaakt. Hoe zou ik anders uiting kunnen geven aan de mengeling van schaamte, wanhoop en paniek die mij sinds de terwereldlating van Op de hoogte beheerst? Nooit eerder werd die emotionele combinatie opgediend in deze verhouding. Waarom is het dat een boek dat in honderden exemplaren en wereldwijd te koop wordt aangeboden, de schrijver ervan in het nauw drijft? Waarom word ik bang als ik op mijn nieuwe – maar door De Bezige Bij Antwerpen beheerde – Facebookpagina om het half uur kan zien dat er onafgebroken, dag en nacht, 19 mensen over mij aan het praten zijn? Waarom zou ik soms willen dat alles al voorbij was, zonder te durven weten hoe omvattend ‘alles’ moet worden geïnterpreteerd? Zoals altijd wanneer ik met een vraag wordt geconfronteerd zonder dat er zich een antwoord aanbiedt, ben ik te rade gegaan bij de teksten van een ander.

In nummer 131 van De Witte Raaf uit 2008 heeft Daniël bijvoorbeeld een essay gepubliceerd over de problematiek van de auteur die zijn eigen lezer wordt, en hij heeft daarbij geciteerd uit een brief van Kafka aan Milena, geschreven in de lente van 1920.
‘Kent u het verhaal van Dostojevski’s eerste succes?’ schrijven Kafka en Daniël. ‘Het is een verhaal dat heel veel inhoudt en dat ik bovendien alleen uit gemakzucht wegens de beroemde naam citeer, want een verhaal van minder ver weg of nog dichtbij zou dezelfde betekenis hebben. Overigens ken ik het verhaal maar onnauwkeurig, alleen de namen. Dostojevski schreef zijn eerste roman Arme mensen, hij woonde toen samen met een bevriend schrijver Grigoriev. Die zag wel maandenlang de vele beschreven bladen op de tafel, maar kreeg het manuscript pas, toen de roman klaar was. Hij las het, was verrukt en ging ermee, zonder er Dostojevski iets van te zeggen, naar de toen beroemde criticus Nekrassow. De volgende nacht om drie uur wordt er bij Dostojevski gebeld. Het zijn Grigoriev en Nekrassov, zij dringen zijn kamer binnen, omhelzen en kussen hem. Nekrassov die hem niet eerder ontmoet had, noemt hem de hoop van Rusland, zij brengen een paar uur door met gesprekken, die hoofdzakelijk over de roman gaan, eerst tegen de morgen nemen zij afscheid. Dostojevski die deze nacht altijd de gelukkigste van zijn leven heeft genoemd, staat aan het raam, kijkt hen na, kan zich niet beheersen en barst in tranen uit’, zo schrijft Kafka. ‘Zijn voornaamste gevoel hierbij, dat hij, ik weet niet meer waar, heeft beschreven, was ongeveer: “Die bijzondere mensen. Wat zijn ze goed en edel! En hoe slecht ben ik! Als zij maar in mijn hart konden kijken! Als ik het tegen hen zeg, geloven ze het niet!”’

Dostojevski was dus gelukkig, zo vertelt Kafka en zo schrijft veel later ook Daniël, maar tegelijkertijd moest Dostojevski huilen, en besefte hij dat hij veel ‘gemener’ was dan zijn eerste lezers en zijn grootste fans. Van zodra zijn boek op de wereld is losgelaten heeft de schrijver met andere woorden het gevoel dat hij een oplichter is, een rotzak en een slechterik, die de hele wereld moet bedanken voor de publicatie van zijn boek, maar die – in scherp contrast daarmee – zichzelf alleen maar verwijten heeft te maken.

Wat zou ik mijzelf kunnen verwijten naar aanleiding van Op de hoogte? Het boek is, zoals ondertussen bekend, een brief-in-romanvorm of een roman-in-briefvorm, geschreven door een man aan een vrouw die niet langer zijn verloofde is – en het is als dusdanig een soort in scene gezette versie van de brieven die Franz Kafka aan Milena heeft verzonden. Over een andere reeks brieven van Kafka, geschreven aan Felice, ook een verloren gelopen verloofde, heeft Elias Canetti geschreven dat de correspondentie de grondlaag heeft gevormd van Het proces, een van de bekendste romans van Kafka (net zoals, overigens, Op de hoogte een proces is waarin het vonnis nooit valt). Het proces van Kafka eindigt met een bijzondere zin, die tot de meest uiteenlopende interpretaties aanleiding heeft gegeven. Die zin gaat als volgt: ‘Het was alsof de schaamte hem moest overleven.’

‘Het was alsof de schaamte hem moest overleven.’ In het licht van het voorgaande – dus vanuit het besef van de schrijver dat hij een oplichter is en dat hij zichzelf tot op het einde van zijn leven verwijten moet maken, is deze laatste zin te lezen als de laatste – maar meestal weggelaten – zin van alle werkelijk ernstige boeken. Want misschien heeft elke schrijver, samen met het boek waarvan hij altijd, onvermijdelijk, ook een van de hoofdpersonages is, voornamelijk daarvan last – van schaamte, schaamte veroorzaakt door de wetenschap dat hij veel gemener is dan zijn lezers; dat hij hun iets wijsmaakt dat niet echt is gebeurd; dat hij hun iets aanbiedt dat gebrekkig is op zo veel manieren dat geen lezer al die gebreken ooit zal doorgronden; dat hij de werkelijkheid op een schandalige manier heeft verwrongen en naar zijn hand heeft gezet; dat hij daarentegen niet heeft kunnen verzinnen wat hij had moeten verzinnen; dat hij de verrader is van zijn eigen geheimen; dat hij taal gebruikt voor iets zinloos en voor iets dat niet bestaat; dat hij niet gewoon kan doen en gewoon kan leven, maar moet toegeven aan dat vaak onuitstaanbare maar nooit afwezige verlangen naar reproductie en representatie op papier; en dat hij dus schrijft vanuit een fundamenteel onvermogen, dat vervolgens nog eens wordt bevestigd als niemand reageert op het boek zoals hij had gehoopt dat er op het boek gereageerd zou worden.

‘Dostojevski’, zo besloot Kafka zijn brief aan Milena, ‘is ervan overtuigd dat hij zijn vrienden Grigoriev en Nekrassov natuurlijk nooit, ook maar van verre, bereiken kan en dat van het terugbetalen van hun ongehoorde, onverdiende weldaad werkelijk nooit sprake zal kunnen zijn. Men ziet hen letterlijk, door het raam, hoe zij zich verwijderen en daarmee hun ongenaakbaarheid bewijzen.’ Gelukkig hebben jullie Op de hoogte niet geschreven, waardoor jullie op geen enkele manier last hebben van al deze dingen, en waardoor jullie zich straks kunnen verwijderen om het boek te gaan lezen op een manier die mij niet alleen aan schaamte, maar ook een klein beetje aan jaloezie overlevert.

[Uitgesproken in boekhandel Limerick te Gent, op 17 maart 2012]

Lees hier de introductie van collega-auteur Daniël Rovers.