Is poëzie nog van deze tijd?

Naar aanleiding van een opiniestuk van Koen Stassijns in De Morgen (26/10) ontstond een vurig debat over het belang van poëzie in de maatschappij van vandaag. Ook onze auteurs mengden zich in de discussie. Hieronder hun woord en tegenwoord.

Deel uw visie op deze kwestie gerust in de reactiesectie van deze pagina.

Ann De Craemer
column in De Morgen (02/11/2011)

Echte dichters huilen niet
In een opiniestuk in deze krant (26/10) betreurt Koen Stassijns de droeve staat van de poëzie in Vlaanderen. Dichtbundels verkopen nog amper, en daarom vraagt Stassijns boekhandels en poëziefestivals een grotere inspanning te doen om poëzie onder de aandacht te brengen.

Stassijns gelooft dus dat als boekhandels meer dichtbundels in hun rekken leggen, er ook meer zullen verkocht worden. Dat is een ontstellend naïeve gedachte. Immers: het probleem ligt niet bij het aanbod. Het probleem is dat er weinig behoefte en dus ook weinig vraag is.

De verklaring lijkt me simpel: poëzie is, helaas, niet meer van deze tijd. Dat is geen beschuldiging, maar een vaststelling. Poëzie lezen vereist geduld en concentratie – twee bedreigde eigenschappen in onze 3.0-tijden. Volgens Philip Roth zal romans lezen binnen vijfentwintig jaar “cultisch” zijn: alleen kleine groepen mensen zullen de nodige toewijding kunnen opbrengen. Vandaag is poëzie al cultisch; de roman zal volgen. De roman is een 19de-eeuwse uitvinding voor verveelde dames in salons die geen andere bezigheid hadden dan boeken lezen. Sindsdien is ons levensritme ingrijpend veranderd, en de letteren – ook gewoon producten onderhavig aan tijdsgeest en conjunctuur – dragen daarvan de gevolgen.
Stel dat ik fout ben en de tijdsgeest niet de oorzaak is. Is er dan misschien iets mis met onze dichtkunst? Dat postmoderne knoopwerkjes van poëziejuwelierkes à la Dirk Van Bastelaere mensen doen wegrennen van poëzie, begrijp ik. Maar we hebben ook talenten als Y.M. Dangre, Sylvie Marie en Delphine Lecompte, die een groot publiek bereiken geen schande vinden. Toch verkopen ook zij weinig, dus ik kijk even naar Iran, waar het wel uitstekend gaat met de poëzie. Dat komt vooral door het dichterlijke engagement: poëzie is er politiek, want met metaforen en dubbele bodems kunnen dichters hun mening uiten in een land waar dat niet mag. Hier hebben we amper nog geëngageerde dichters, tenzij ze stadsdichter of Dichter des Vaderlands zijn, een schaamlapje in een samenzwering tussen politiek en literatuur om toch nog wat engagement in onze ik-gerichte poëzie te smokkelen. Of, volgens de Iraans-Nederlandse publicist Afshin Ellian: “Alleen al de titel ‘Dichter des Vaderlands’ is komisch. Slechts in lage landen zijn komedianten te vinden die deze rare titel in een niet-dichterlijke cultuur aanvaarden.”

De wegen der lezers zijn ondoorgrondelijk, maar misschien wordt het publiek wakker als onze dichters niet alleen over zichzelf schrijven. Iran heeft me laten zien dat poëzie goed gedijt bij grote crisissen. We maken nu zelf een crisis door, en mensen zoeken houvast. Misschien ligt hier een kans voor onze dichters om niet hun eigen navel maar die van de wereld te beschrijven. Misschien horen we de indignados dan wel een gedicht scanderen in plaats van ‘fuck the system’.

Misschien. En als het publiek ook dan doof blijft? Dan had ik toch gelijk en is poëzie, helaas, niet meer van deze tijd. Maar dat mag onze dichters niet weerhouden om koppig te blijven schaven, en het krimpende publiek te blijven verwonderen met de schoonheid van het zwaarste ambacht dat onze letteren rijk is.

Johan de Boose
reactie op Ann De Craemer (06/11/2011)

Ann,

Heb je column gelezen in De Morgen. Verbaasd en later verontwaardigd. Twee vragen stel ik je: 1) Tot wie richt je je? 2) Wat wil je bereiken? De antwoorden op deze vragen zijn afschuwelijk: je richt je tot mensen die sowieso al weinig of niks met poëzie hebben en je bereikt ermee dat ze zeggen: zie je wel, flauwekul, geldverspilling, voer voor nerds. Hoe kun je nou de onvermoeibare inspanningen van Koen Stassijns beschouwen als zinloos? Alleen maar omdat hij de boekhandel oproept om méér te doen voor de poëzie? Je ontkent dat er meer poëzie gekocht zou worden als ze meer voorhanden was. Wat een klinkklare nonsens. Wat kopen de meeste mensen namelijk? Wat op de eerste tafels ligt: de bestsellers. Wat er niet is, kan niet verkocht worden. Wat niet aangeboden wordt, kan nooit geapprecieerd worden. Ik heb een bloedhekel aan het neoliberale marktdenken dat ons langzaam allemaal wurgt: naast de vraag die het aanbod bepaalt, is er een namelijk een andere wet: dat het aanbod de vraag kan stimuleren. Ik ben er heilig van overtuigd dat wanneer de boekhandel de poëzie een prominentere plaats zou geven, er ook meer verkocht zou worden. Als men niet weet dat het bestaat, of wat er bestaat, kan men het ook niet leren kennen. De boekhandel moet hierin een sturende werking hebben. Net zoals ze het ene kookboek een mooiere vitrineplaats geven dan het andere. Platte commercie. Helaas – maar zo is het. Leve Koen Stassijns. Hij steekt tenminste een hart onder de riem. Jij wurgt het hart.

Verder: Van Bastelaere, een poëziejuwelierke? ‘:o’! Lieve collega, heb jij wel eens de moeite genomen om een bundel van DvB te lezen, of om naar een lezing van DvB te luisteren? Duidelijk niet, want dan zou je weten dat hij een van de meest begenadigde Nederlandstalige dichters is, recalcitrant zoals het hoort, bijzonder erudiet, en tja, daar kun je ook niet van houden, maar zeggen dat hij de poëzie in de weg staat, is je reinste geschiedvervalsing; integendeel: hij wijst juist in een richting, die waarschijnlijk het dichtst de oude lyrische ader benadert die vanuit de oudheid naar ons toekomt en die zich in de richting van de toekomst begeeft. Zijn poëzie is bovendien per definitie een interdisciplinaire kunst: ze raakt met een bijna promiscu genot aan de grenzen van de literatuur; je krijgt altijd te maken met beeldende kunst, film, muziek. Zo’n houding kun je toch alleen maar toejuichen, niet? Is het grote publiek daarin niet geïnteresseerd? Reden te meer om in DvB geïnteresseerd te zijn. En om zijn boeken op een mooi zichtbare plaats in de boekhandel te zetten. Jawel, naast Koen Stassijns, die een totaal ander soort poëzie schrijft, maar we leven – dacht ik, al twijfel ik er steeds meer aan – in een democratie.

Mijn dochter van zestien (won 2 poëziewedstrijden met eerder cerebrale gedichten) zei na het lezen van je column: hiermee bereik je het verkeerde doel. Zij heeft gelijk: als poëzie al in het verdomhoekje zit, stop jij het in het riool. Had je kopij tekort, collega, hou dan op met die literair-overdraagbare-aandoening die heet: ik wil mijn eigen column. En dan nog in de krant waar ooit ene Herman de Coninck voor werkte. Van controverse gesproken. De Coninck – nooit mijn beste maat geweest, het is maar dat je het weet – was wel graag in discussie met jou gegaan. Een gladiatorenstrijd, die jij niet kon winnen, want je argumenten zijn gebouwd op zand.

Dit bijvoorbeeld: poëzie is helaas niet meer van deze tijd. Ik geloof in het tegengestelde: poëzie is de basis van alle literatuur en zal op die manier ook alle literatuur overleven. Proza als hoger leesvoer is van vrij recente datum (wel iets eerder dan jij doet uitschijnen), maar poëzie was er al altijd. Je zegt het trouwens zelf als je naar Iran verwijst. We zouden ook naar Aziatische, Afrikaanse of Slavische culturen kunnen wijzen. (Je zou overigens de Open Brief die Joseph Brodsky aan Vaclav Havel schreef eens moeten lezen. Die houdt me ook al enige decennia uit mijn slaap.)
De slotsom zou moeten zijn, schrijfgezellin, dat er méér gelezen wordt, niet? Dat klinkt als een open deur intrappen. Waarom bevuil je de literaire katern van een Nederlandstalige krant met de aanleiding om anderen tot zulke clichés te inspireren? Overigens doet je laatste zin vermoeden dat je het eigenlijk zelf ook niet meer wist en bevriende dichters alsnog lippendienst wilde bewijzen. Gebruik je delete-toets, consoror, als je een dergelijke aanvechting hebt. En beter nog: delete all. En begin dan opnieuw, met een leeg scherm, en de eerste woorden zullen klinken als een gedicht. Liever een pril gedicht dan een foute column.

Hartelijke groet & sans rancune,

Je collega Johan de Boose

Marc Reugebrink
fragment van een blogpost op zijn blog De Inwijkeling (07/11/2011)

[...]
‘Het tot beu-wordens toe geziene’ — Van Ostaijen had het daar al over. Maar dichters vermogen niet meer daar iets tegenin te brengen, zoals althans Van Ostaijen nog mocht hopen (hoewel, tijdens zijn leven was er geen hond in zijn poëzie geïnteresseerd; hij is de Van Gogh van de Nederlandstalige letteren).

Zou Ann De Craemer gelijk hebben? ‘Poëzie is, helaas, niet meer van deze tijd’, schreef ze in De Morgen van 2 november. Ze noemt het een ‘constatering’, geen beschuldiging. Om de constatering kun je niet heen, denk ik, al hangt het sterk af van wat je precies poëzie noemt. Ik ben er altijd erg voor om de juiste beginsituatie voor een eventueel debat vast te stellen. De dichters die op haar site tegen de constatering zelf fulmineren nemen voornamelijk een positie in die me inderdaad achterhaald lijkt en die ook niet helpt om datgene wat ze bepleiten daadwerkelijk tot stand te brengen. Dat komt gewoonlijk toch neer op een redding van de poëzie, of op zijn minst op een verdediging ervan (de ‘defense of poetry’ is al zo oud als de moderne poëzie zelf). Zelfs zij die heroïsch de samizdat-positie aannemen, doen dat vanuit het geloof dat die positie garanties biedt voor het belang van poëzie in de openbare ruimte. Ik geloof niet dat dat nog werkt. Het is uiteindelijk een autonomie-reflex. Wie tegen de wereld is, moet in de wereld zijn. Een subcultuur die zich in haar eigen subculturele gelijk wentelt, die zichzelf genoeg is, houdt spoedig op te bestaan; het gaat erom met dat subculturele aan het woord te komen in de ‘dominante cultuur’, zoals dat heet. En wie met de hond slaapt krijgt zijn vlooien. Ik houd me voor dat dat nog iets anders is dan het ‘if you can’t beat them, join them’ — maar een werkelijk ander verhaal dan steeds diezelfde klaagzang over teloorgang, achteruitgang, nivellering, verhuftering en vergroving heb ik voorlopig ook niet in huis.

update:
Jeroen Theunissen
fragment van een blogpost (11/11/2011)

Is poëzie uit de tijd? Een citaat uit het heerlijke ‘Humboldt’s Gift’ (‘Humboldts nalatenschap’) waarvoor Saul Bellow eind jaren zeventig de Nobelprijs kreeg, en dat ik toevallig herlees. Humboldt is het prototype en tegelijkertijd de karikatuur van zowel de romantische als de modernistische dichter (want uiteraard wortelt ook het gezwollen programma van de avant-garde in de romantiek), poëzie is een ‘fanatieke bezetenheid’ voor hem, hij wil een ‘goddelijk kunstenaar worden, een mens, betoverd door visioenen en platonische bezetenheid.’ Maar hij leeft in een tijd waarin de ‘avant-garde nog maar een herinnering’ is. De tijd wil niet meer mee. ‘Orpheus kon stenen en bomen verplaatsen. Maar de dichter kan geen uterusresectie uitvoeren of een satelliet lanceren. Wonderen en macht zijn niet langer zijn eigendom.’

Is poëzie dus uit de tijd? Welnee. Wordt het commercieel nog ooit iets? Ik vrees er (alvast in onze contreien) een beetje voor. Wel uit de tijd is die gedachte waarvan veel dichters nog altijd niet los komen, dat de dichter een broodnodige, life changing waarheid kan openbaren die alleen in poëzie bestaat. Ik was als kind vreselijk godsdienstig, en moet vandaag bij de meeste poëzielezingen spontaan aan een eucharistieviering denken, en wil dan zo snel mogelijk vluchten. Poëzie zit vandaag in de marge en zal daar waarschijnlijk blijven, jammer misschien voor wie (net als ik) dichter is, maar het is nu eenmaal zo. Wie voor poëzie kiest, legt zich daar beter bij neer. Geen enkele kantklosvereniging zou het in zijn hoofd halen, schande te spreken wanneer iemand in een column beweert dat het kantklossen niet tot de mainstream behoort. Ach nee, die laatste zin klinkt als cultuurrelativisme, wat ook weer niet de bedoeling is (met alle respect voor kantklosverenigingen overigens).

Ik heb vandaag maar direct in de roman die ik schrijf een grapje toegevoegd (dat waarschijnlijk in de uiteindelijke versie weer verdwijnt): ‘In 1969, na de dood van haar man, heeft Marthe alsnog enige beroemdheid verworven toen ze een wat rommelig gedicht van negenhonderd verzen publiceerde, dat in de avant-gardistische Vlaamse poëzietraditie enige tijd een cultstatus heeft kunnen behouden (het schijnt dat Dirk van Bastelaere eruit geplagieerd heeft). Uiteindelijk in 1992, na een droom over een groot blauw vliegtuig, is ze in haar slaap overleden.’

8 reacties

Filed under Twitter

Geef een reactie

8 reacties op Is poëzie nog van deze tijd?

  1. Leo Hermens

    Ik ben 50 jaar. Ik ben van deze tijd want ik ben nu. Ik hou van poezie. Niet van alle poezie. Zoals ik van eten houd. Niet van alle eten. Toen ik jeugdig was hield ik van Lucebert (nog steeds trouwens). Niemand die ik kende, niemand in mijn school, hield van Lucebert. Behalve mijn vriend Anton. Nee, de jeugd had er niks mee, behalve Anton en ik. We hadden toen waarschijnlijk meer aandacht en geduld. We werden in onze gulzigheid nog niet voortdurend verleid door het mer a boire van internet. Multitasken? Was dat fluiten tijdens het fietsen. Studeren met the Clash op de platenspeler. Er lagen drie boeken naast mijn bed, aan mijn fietsstuur bungelde de nieuwste elpee van Peter Hammill en de TV sneeuwde tot de kinderen hun huiswerk af hadden.
    Misschien zijn er maar 200 mensen die uitzien naar de nieuwste bundel van K. Michel of 150 die eindelijk de lang aangekondigde vertaling van gedichten van Les Murray op hun verlanglijstje willen zetten. Roepen dat poezie niet van deze tijd is, is toegeven dat de massa altijd gelijk heeft.

  2. Wie dit durft te beweren: “hoewel, tijdens zijn leven [Paul van Ostaijen] was er geen hond in zijn poëzie geïnteresseerd; hij is de Van Gogh van de Nederlandstalige letteren)” weet niet waar hij het over heeft en diskwalificeert zichzelf.

    Er zijn krantenbesprekingen uit zijn tijd waaruit blijkt dat voordrachten van hem goed bezocht werden én er zijn o.a. deze, destijd goed verkochte, bloemlezingen die voor zijn dood op 17 maart 1928 in boekhandels, bibliotheken en scholen in Vlaanderen en Nederland aanwezig waren:

    Nieuwe geluiden, Van Loghum Slaterus en Visser, Arnhem, 1924
    Nieuwe geluiden, Van Loghum Slaterus en Visser, Arnhem, 1925 (2e vermeerderde druk)
    Nieuwe geluiden, Van Loghum Slaterus en Visser, Arnhem, 1927 (3e vermeerderde druk)
    De Vlaamsche Jongeren van Gisteren en Heden, Leeslust/Lecturis, Antwerpen/Eindhoven, 1927

    Het was, is en blijft in deze verkeerd om uitspraken te doen over de positie van de poëzie aan de hand van oplages van afzonderlijke dichtbundels. Zo is er in Nederland dagelijks poëzie te horen op de publieke radionieuwszender. Bruist poëzie op podia en op het internet. Vliegen bloemlezingen – nog steeds – over de toonbank. Brengen stadsdichters in nog steeds toenemende mate poëzier naar het volk. Kortom: niks aan de hand. Je moet alleen wel buiten beperkte kaders durven kijken.

    • Precies wat ik zeg, Bart. Maar wat ik zeg over Van Ostaijen steunt op een iets gedegener onderzoek dan jij hebt gevoerd. Ken jij de aanloop naar die bloemlezing van Dirk Coster? Weet je hoe VO zich tot Coster verhield? Lees er de verzamelde correspondentie van Du Perron maar eens op na. Kijk ook eens naar wat die heeft gezegd na de dood van Van Ostaijen, toen plotseling iedereen met zijn werk wegliep, terwijl men er echt daarvoor niet van moest weten. Alleen Gaston Burssens en hij hebben zich aanvankelijk om VO’s nalatenschap bekommerd, ook al had DP niet veel op met VO’s poëticale opvattingen.

  3. Leo Hermens

    Nou niks aan de hand, Bart, dat is als Berlusconi die zegt dat het goed gaat met de Italiaanse economie omdat de restaurants vol zitten. Uitgevers zijn selectiever, boekhandels verdwijnen en de plankjes met poezie zijn veranderd in planken met lifestyle boeken of worden gehalveerd. Maar of dat de dood van de poezie is? Ook aan mijn warme hart verandert het niks.

  4. Boekhandels verdwijnen inderdaad, maar daar komt wel wat voor in de plaats: de online boekhandels. Die ‘plankruimte’ in overvloed hebben, zeker als uitgeverijen overgaan op printing on demand. Er zijn legio manieren om het publiek te attenderen op álle bundels – dus wat is het probleem nu eigenlijk?

  5. Martijn Benders

    “het gaat erom met dat subculturele aan het woord te komen in de ‘dominante cultuur’, zoals dat heet. ” schrijft Marc Reugebrink. Dat is toch precies dezelfde strategie die al sinds de uitvinding van de televisie is ingezet en die, als je het grote plaatje bekijkt, alleen maar voor meer ellende heeft gezorgd? Het is precies die eeuwige underdog positie die de ‘dominante cultuur’ in zijn bestaan bevestigt. Het is de spreekwoordelijke pedofielenclub die in een praatprogramma zijn bestaan komt verdedigen. En dat dan beweren in een tijd waarin die ‘dominante cultuur’ juist in grote problemen is geraakt! Hoe ultraconservatief en onverstandig is zo’n positie! In een tijd waarin de mensen verzet verwachten als ideologisch motief hebben ‘aan het woord te mogen komen’ in het hol van de leeuw! Bespottelijk! Is men dan zo verknocht aan die eeuwige positie van de underdog? Bang dat de boekenballetjes en de borrelhapjes verdwijnen? Het is toch overduidelijk dat de media totaal niet op deze wijze effectief kunnen worden bestreden. Daarom lijkt me dat ook precies niet hetgene waar Reugebrink op uit is. Hij lijkt voornamelijk geinteresseerd in het ‘overleven van zijn subcultuur’. En als zodanig heeft hij zich berust in een subversieve rol. Precies het tegenovergestelde van die positie is echter nodig als de literatuur wil overleven.

  6. In zekere zin moeten we De Boose dankbaar zijn voor zijn reactie.

    De kleine, en bijna sektarische poëziewereld hangt van de onuitgesproken geboden en verboden aan elkaar. Sommige mensen kraak je niet af, andere mensen hoor je niet negatief te bejegenen: het is een ingewikkeld web waar alleen ervaren netwerkers de weg in kennen.

    Veel off the record-gesprekken worden gevoerd op de toon die De Boose aanslaat, maar in het openbaar hoor je ze nooit. Het is de verdienste van De Craemer dat zij, als betrekkelijke buitenstaander in ‘het veld’, zo hard op De Boose’s tenen ging staan dat hij zich liet verleiden tot een openbaarmaking van een bepaalde toon die de poëziewereld tot een dorps en benepen geheel maakt.

    Persoonlijk zie ik dat als haar grootste verdienste. De Vlaamse poëzie sluit de gelederen, maar krijgt daar dankzij De Craemer geen gelegenheid toe.